Nieuwe meetmethode: veel meer microplastics in zee dan verondersteld

Amsterdam, 2 december 2017 – Engelse onderzoekers hebben een goedkope methode ontwikkeld om microplastics in het water te detecteren en te tellen. Het gaat om een fluorescerende kleurstof die zich bindt aan plastic deeltjes, waardoor ze onder de microscoop goed te zien zijn. De methode maakt duidelijk dat er veel meer microplastics in de bovenste laag van het zeewater aanwezig zijn dan tot nu werd verondersteld. Het onderzoek is gepubliceerd in Environmental Science & Technology.

Het is al langer bekend dat er veel meer microplastics (< 5 mm) in de bovenste laag van het water aanwezig zijn dan grotere stukken. De huidige meetmethoden kunnen echter het aandeel van de microplastics kleiner dan 1 mm niet goed bepalen. De nu ontwikkelde methode doet dat wel en de resultaten laten zien dat juist het aandeel van de kleinste plastics (20 tot 1000 μm) het grootst is. Eerder werd vastgesteld dat er veel minder plastic in zee wordt teruggevonden dan er in zee terecht komt. De vraag waar al dat plastic gebleven is, is tot op heden niet bevredigend beantwoord. De onderzoekers stellen dat hun methode helpt verklaren dat veel van het “verloren” plastic zo klein is geworden dat de meetmethoden waarmee tot nu toe is gewerkt deze over het hoofd zagen.

Plastics in het milieu degraderen tot steeds kleinere stukjes. Naarmate de omvang van de stukjes afneemt, neemt het aantal stukjes exponentieel toe. Dat er naar verhouding veel meer van de allerkleinste plastic deeltjes zijn terug te vinden in het water wordt door deze methode bevestigd. De onderzoekers wijzen erop dat een groter aantal organismen de plastic deeltjes binnenkrijgen naarmate die kleiner zijn.

De methode detecteert lichtgewicht plastics (polypropyleen, polyethyleen, polystyreen en nylon-6) het beste. Deze plastics worden met name toegepast voor verpakkingen die direct na gebruik worden weggegooid en nylon-6 is afkomstig van synthetische kleren die machinaal gewassen worden.