De effecten van de plastic soup zijn bij dieren gemakkelijker te signaleren dan bij de mens. De vervuiling van het milieu leidt tot tal van vormen van dierenleed. Tenminste 1341 mariene diersoorten ondervinden hinder van plastic, verdeeld over bijna alle plaatsen in de mariene voedselketen; van bacteriën tot walvissen. De groepen die het zwaarst getroffen worden door plastic zijn zeevogels, vissen, kreeftachtigen en zoogdieren. Groepen zoals sponzen, anemonen, wormen en andere ongewervelden hebben volgens het onderzoek in minder last van plastic.

Dieren hebben op verschillende manieren last van plastic. Het vaakst komt voor dat ze in plastic verstrikt raken, gevolgd door inslikken en het gebruiken van plastic afval als schuilplaats. Verstrikking en inslikken leiden onder andere tot verwondingen, beperkte bewegingsvrijheid en in veel gevallen tot de dood.

Plastic als voedsel

Dieren zijn niet altijd in staat om plastic van voedsel te onderscheiden. Organismen die water filteren (plankton, schelpen, baleinwalvissen) of die onder het oppervlak van stranden leven (zeepieren) zijn per definitie niet in staat dat onderscheid te maken. Sommige vissen zien plastic aan voor viseitjes en happen gericht naar in water zwevend plastic. Schildpadden zien plastic tassen aan voor kwallen. In de magen van de Noordse Stormvogel, die met open bek boven het wateroppervlakte foerageert, wordt vrijwel altijd plastic aangetroffen. Overigens krijgen ook veel grazende landdieren plastic binnen.

Dieren die naar verhouding grote stukken plastic binnenkrijgen kunnen verhongeren wanneer dat plastic hun maag-darmstelsel afsluit. Denk aan een plastic zakje of de resten van een ballon. In zo’n geval zal het dier relatief snel sterven. Soms is de bek groter dan de anus en hopen de stukken plastic zich om die reden op. In de magen van bepaalde zeevogels, schildpadden of (wal)vissen wordt regelmatig plastic aangetroffen. Stormvogels zitten er vol mee, walvissen spoelen aan op het strand met ruim 6 vierkante meter aan plastic tassen in hun buik en schildpadden moeten bevrijdt worden van enorme kluwen ingeslikte visnetten. Bekend zijn de afschuwelijke foto’s van jonge albatrossen op Midway die door hun ouders met plastic gevoerd worden.

Wanneer dieren plastic eten, kan dat leiden tot reductie van de capaciteit van het darmkanaal, waardoor ze minder goed echt voedsel kunnen verwerken. Daarnaast kan plastic afval het de maag vullen en het darmkanaal verstoppen, met verhongering tot gevolg.

Het plastic kan ook effecten hebben op de gezondheid van dieren. Er kan een verhoogde activiteit van het immuunsysteem optreden, waardoor het lichaam reageert met ontstekingsreacties. Plastic heeft ook effecten op de hormoonhuishouding van dieren. Het maakt ze minder vruchtbaar en ze kunnen er hermafrodiet van worden. Er zijn zelfs onderzoeken die uitwijzen dat plastic kankerverwekkend is. Lees hier meer over gezondheidseffecten.

Plastic kost de dieren veel energie, waar ze niets voor terug krijgen.

Verstrikking

Dieren kunnen verstrikt raken in plastic en daardoor sterven. Spooknetten, achtergelaten visnetten maken ontelbaar veel slachtoffers. Zoogdieren (zoals dolfijnen en zeehonden) kunnen niet lang onder water blijven en sterven naar verhouding snel. Vogels kunnen verstrikt raken in plastic, zoals in linten van feestballonnen.

Giftig plastic en lekkende additieven

Plastics (maar niet alleen plastics) hebben de eigenschap dat ze als een soort spons persistente gifstoffen (Persistent Organic Pollutants, POPs) aantrekken, zoals polychlorobifenyl (PCBs) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAKs). Dit geldt voor vijf van de meest geproduceerde plastics, waaronder polyethyleen (PE), polyethyleentereftalaat (PET) en polyvinylchloride (PVC). Hoe langer plastic in het water ligt, des te giftiger het wordt door die sponswerking. Dieren die dit giftige plastic eten, scheiden dat over het algemeen ook weer uit. Een belangrijke wetenschappelijke vraag is of toxische stoffen zich ook kunnen ophopen in hun weefsel, en langs de weg van bioaccumulatie hogerop in de voedselketen terecht komen. De mens staat bovenaan de voedselketen.

Japanse onderzoekers hebben polybroomdifenylether (PBDE), dat als vlamvertrager aan plastic wordt toegevoegd, aangetroffen in het weefsel van enkele zeevogels, terwijl die stof niet afkomstig kon zijn van hun natuurlijke prooi, maar wel van het plastic dat ze binnenkregen. Dit zou volgens de onderzoekers een aanwijzing kunnen zijn dat giftige chemicaliën via ingeslikt plastic worden opgenomen in het weefsel van deze soort (en in principe van veel meer soorten).

De allerkleinste plastics (nanoplastics) kunnen celwanden passeren en dus in theorie migreren van het maag-darmstelsel naar het lichaamsweefsel van mens en dier.

Lekkende additieven
Aan plastic toegevoegde stoffen kunnen schadelijk zijn voor milieu en gezondheid wanneer deze stoffen uit het plastic lekken en vervolgens in het milieu of in de voedselketen terecht komen. Dit probleem speelt bij (dagelijks) gebruik van plastic. Additieven die in zee zouden lekken uit plastic worden direct verdund door het zeewater waardoor concentraties niet meer meetbaar zijn. In zee speelt het lekken van deze chemicaliën geen noemenswaardige rol. Op land daarentegen wel, zie bijvoorbeeld deze Amerikaanse rapportage uit april 2009.

Bisphenol A
Het meest bekend en omstreden is bisphenol A (BPA). BPA zit in heel veel soorten plastic, onder andere in verpakkingen zoals plastic flesjes. Het gaat om vrijwel onbreekbaar plastic dat gemakkelijk te reinigen is. BPA kan onder omstandigheden (beschadiging of verwarming) lekken en in voedsel terecht komen. De stof gedraagt zich als hormoon, met name als het vrouwelijke hormoon oestrogeen. Zelfs kleine hoeveelheden zouden schadelijke effecten hebben. Dat kinderen steeds vroeger in de puberteit komen, zou mede hierdoor verklaard kunnen worden. In Europa geldt vanaf juni 2011 een verbod op de verkoop van babyflesjes die bisphenol A bevatten.

Ondanks de bezwaren wordt er nog altijd op grote schaal BPA in plastic producten verwerkt. Het merendeel van de BPA-productie is voor het maken van polycarbonaat, hard en doorzichtig plastic dat te herkennen is aan het recycleteken #7.

Weekmakers (ftalaten)
Ftalaten worden als weekmakers gebruikt voor plastic, vooral in polyvinylchloride (PVC). Doordat ftalaatweekmakermoleculen zich bewegen tussen de polymeerketens waaruit plastic is opgebouwd, ontsnapt na verloop van tijd een deel van de weekmakers en komen deze in het milieu terecht. De ftalaten breken daar niet helemaal af. Ze kunnen zich ophopen in kleine organismen en langs die weg in de voedselketen terecht komen. Onderzoek levert aanwijzingen op dat ftalaatweekmakers de hormoonhuishouding van mens en dier verstoren en kankerverwekkende eigenschappen hebben.

Vlamvertragers
Plastic wordt van aardolie gemaakt en dat brandt goed. Om te voorkomen dat plastic al te gemakkelijk brandt worden brand- of vlamvertragers toegevoegd. In kunststoffen wordt veel gebruik gemaakt van organobroomverbindingen als PBB’s (polybroom-bifenylen) en PBDO’s (polybroom-difenyloxides). De vertragers worden onder andere verwerkt in de volgende soorten plastic: polystyreen (PS), polyurethaan (PUR), polyvinylcholoride (PVC) en polypropeen (PP). Deze plastics vinden hun toepassing in allerlei elektronica, isolatiemateriaal, buizen, enzovoorts. De stoffen zijn giftig en breken niet makkelijk af. Bij verbranding vormen brandvertragers giftige dioxines.

Formaldehyde
Uit MF kunststof (melamine-formaldehyde) kan formaldehyde vrijkomen. Ook in sommige plastic flesjes en aan verpakkingsplastic wordt formaldehyde toegepast. De stof is geclassificeerd als kankerverwekkend. Blootstelling aan de stof kan leiden tot geïrriteerde ogen, neus, keel of huid. Sommige mensen hebben een allergie voor formaldehyde.